Ambassadeur Margriet Schavemaker

Margriet Schavemaker. Foto: Sjoerd van Leeuwen
Margriet Schavemaker. Foto: Sjoerd van Leeuwen

Margriet Schavemaker maakt tentoonstellingen en schrijft over moderne en hedendaagse kunst. Ze is verbonden aan het Stedelijk Museum Amsterdam als Manager Educatie, Interpretatie en Publicaties. Ze had contact met Robert Morris over een re-enactment van zijn werk in het Stedelijk Museum.

“Ik werk in een museum, maar vind het ook heerlijk om buiten de museummuren kunst te ervaren. Daar ondervind je een specifieke spanning tussen kunstwerk en natuur. Dit is zeker het geval voor de Land Art werken in Flevoland en het Observatorium van Robert Morris. Maar Morris realiseerde zich eveneens, met veel andere kunstenaars eind jaren zestig, dat je ook de natuur naar het museum kunt halen. En het leuke is dat dit ook in het Stedelijk Museum gebeurd is.

Eind jaren zestig zette Wim Beeren, de latere directeur van het Stedelijk Museum, namelijk de tentoonstelling ‘Op losse schroeven’ op. Deze legendarische tentoonstelling gaf een groot internationaal overzicht van conceptuele en performatieve kunst in het Stedelijk Museum. Tijdens de tentoonstelling hing Marinus Boezem witte lakens uit de ramen en groef Jan Dibbets kuilen rondom het museum. Robert Morris realiseerde er zijn Amsterdam Project. Dit werk was gebaseerd op een soort script voor het museumpersoneel, waarbij om de dag een hoop in het museum moest worden gemaakt met iets brandbaars van buiten: of dat nu bladeren waren of aarde. Uiteindelijk moesten die hopen weer buiten het museum in de fik worden gestoken. Ik heb zelf in het Stedelijk Museum in 2011 de tentoonstelling ‘Recollections - Op losse schroeven’ over deze tentoonstelling gemaakt. Daarvoor heb ik ook contact gehad met Morris over een re-enactment van dit werk. Wij hebben toen zelf allemaal materialen van buiten naar binnen gehaald en uiteindelijk ook alles verbrand. Het geheel had iets ritualistisch.

Beeren ervaarde echter dat het meeste werk uit de ‘Op losse schroeven’ tentoonstelling mislukte, omdat het geheel te museaal werd. Het hele idee was juist dat het object werd weggedaan, maar de werken werden na afloop van de tentoonstelling gretig verzameld. Er is eigenlijk geen tentoonstelling die meer impact heeft gehad op de collectie van het Stedelijk Museum dan ‘Op losse schroeven.’ Daar zit een grote paradox in, en die voelde Beeren heel erg. Hij vond dat het museum te vast zat en wilde daarom buiten het instituut gaan werken. Daarom ging hij weg bij het museum en organiseerde in 1971 de openluchttentoonstelling ‘Sonsbeek buiten de perken.’ Beeren nodigde Morris opnieuw uit en die maakte toen in de duinen van Velsen het Observatorium. Deze eerste versie van stuifzand was niet bedoeld om als object eeuwig te blijven bestaan. Toch heeft Beeren in 1973 gevraagd of het werk verplaatst kon worden naar een meer permanente locatie. Dit werd Swifterband in de Flevopolder, waar het Observatorium in 1977 opende. Door het Observatorium te herplaatsen in de polder werd het al snel monumentaal erfgoed. In zekere zin is dat bijna onvermijdelijk in het sterk verstedelijkte Nederlandse landschap. Zoals de Afsluitdijk en Noordoostpolder onderdeel zijn van het oer-Nederlandse landschap, zo is het Observatorium nu opgenomen in de polder.”