Ambassadeur Martin Zebracki

Martin Zebracki. Foto: Sjoerd van Leeuwen
Martin Zebracki. Foto: Sjoerd van Leeuwen

Martin Zebracki is in zijn onderzoek geïnteresseerd in de beleving van de openbare ruimte: van publieke kunst tot cruising zone. Aangezien Daniel Libeskinds Polderland Garden of Love and Fire beide is, zou hij als ambassadeur graag veel meer over deze plek te weten komen.

“Mijn achtergrond is sociale geografie, alles wat te maken heeft met de verbinding tussen mens en ruimte, en ik ben bijzonder geïnteresseerd in kunst. Een van mijn interessantste studies was het onderzoek naar de omstreden ‘Kabouter Buttplug’ in Rotterdam. Iedereen heeft daar wel een mening over, erg leuk. Mijn meest recente onderzoek richt zich op het Homomonument in Amsterdam: op hoe de materiële componenten van dit werk een viscerale, diepe betekenis krijgen, doordat mensen er bloemen op leggen en er emoties bij beleven. Seksueel burgerschap komt samen met de materiële dimensies van dit monument: dat intrigeert mij enorm. Het heeft ook te maken met intimiteit: eigen intimiteit, historische intimiteit, levensgeschiedenis en aders, het samenkomen, openstellen en afsluiten, inclusie en exclusie.

In de stad past kunst zich vaak aan de al bestaande context aan. Wat ik interessant vind aan Land Art, is dat de stad zich aanpast aan de kunst. Zeker wanneer Polderland Garden of Love and Fire in de toekomst een stadspark wordt van Almere Pampus. Dan verandert de context enorm. Maar op dit moment ligt het werk nog als een soort kompas in het landschap. Het zoekt het publiek. Het is nogal avant-gardistisch. Het is heel gewaagd en als je leest over de achtergrond van Libeskind en zijn interesse in deconstructivistische architectuur, is dit ook een werk dat gaat over ontbloten, de ware aard laten zien: een intiem werk. Heel intrigerend. Hoe is het werk daar gekomen en wat voor vragen had hij hierbij?

Daarnaast fascineert het gebruik van het werk me. De plek is een cruising zone. Dit is het gevolg van een bepaalde infrastructuur, maar heeft ook met de anonimiteit van de plek te maken. Er is een structuur, maar tegelijkertijd is het ook toevallig. Dit roept de vraag op waarom Libeskind een werk op zo’n meerduidige, anonieme plek wilde maken. En sommige teksten roepen nog meer vragen op. Eerder is geschreven dat de lijnen van dit werk wijzen naar Almere, Salamanca en Berlijn, waar Libeskind toen werkte. Maar op zijn website schrijft Libeskind dat er een verbinding wordt gemaakt tussen Johannes van het Kruis in Salamanca, bekend om zijn passievolle gedichten, en Paul Celan in Parijs, een Joodse dichter die schrijft over zijn ervaringen met de Holocaust. Zo relateert Libeskind een anonieme plek aan zijn eigen levensgeschiedenis. Hij geeft een soort invulling in het niets. En dat heeft voor mij iets paradoxaals. Hij moet wel iets hebben gevoeld voor dit land, voor deze specifieke plek. Het zou interessant zijn om daar meer documentatie over te vinden.

Je zou kunnen stellen dat geschiedenis met een potlood wordt geschreven. Dat je nieuwe dingen ontdekt, dat is eigen aan onderzoek: en dit werk vraagt echt naar onderzoek. Je kunt er heel lang en goed over door blijven praten. Het is voor mij daarom een succesvol ‘conversatiestuk’.”